Hoe wij dat zien en doen:

  • We zijn aanwezig, dat noemt men presentie: Gezinshuisouders zijn presentiebeoefenaars en staan je bij, ze komen naar je toe, bewegen met je mee, zijn trouw en betrouwbaar.
  • Gezinshuisoudere kunnen inleven, meeleven en samenleven.
  • Gezinshuisouders zijn net als eigen ouders zeven dagen in de week, vierentwintig uur per dag aanwezig en dat betekent dat ze betrokken zijn of raken. Geen aflossingen en twintig verschillende gezichten per week.
  • De professionele gezinshuisouder kan binnen die betrokkenheid de weg vinden voor een goede ontwikkeling van en een goede toekomst voor de jongere en het kind.
  • Respect hebben voor en leren van de ander. Leren doen we van elkaar. De gezinshuisouder van de jongere en omgekeerd, maar ook kunnen de jongeren van elkaar leren.
  • We gaan uit van het positieve, het gezonde van de jongere en het kind. dat heet “salutogenese” (letterlijk: het ontstaan van gezondheid): gericht zijn op wat een jongere kan en daartoe de mogelijkheden bieden. Want iedereen heeft talenten, die moet je uitbouwen. Niet teveel bezig zijn met beperkingen.
  • We zullen zoveel mogelijk het eigen netwerk van de jongere en het kind betrekken in opvoeding en toekomstplannen. Tenslotte is en blijft het eigen netwerk er. Jongeren/kinderen zijn geen op zichzelf staande individuen. Zij behoren tot een groter geheel, het Gezin. Het eigen netwerk. Deze dienen ingesloten, betrokken te worden. Maar wel altijd met het kind / de jongere in het middelpunt.
  • Empowerment van het gewone leven: versterken van het dagelijks samenleven. Dat is een hele mond vol, maar betekent eigenlijk: uitgaan van de kracht van het gewone leven.
  • Matching: een kind/jongere, dat in het Gezinshuis komt, moet bij het geheel passen en omgekeerd. En bij de kennis en kunde van de gezinshuisouder. Maar ook bij de mogelijkheden en behoeften van de reeds aanwezige kinderen/jongeren. Bijna elk kind past in een gezinshuis, de vraag is alleen in welk gezinshuis.